Vrijdag. Ik ben met mijn oud-psychiater op een congres. We hebben onze workshop samen
grondig voorbereid. In haar rol als psychiater vertelt zij hoe moeilijk ze het vindt om mensen
die manisch worden aan te spreken op hun gedrag. Ik weet als geen ander hoe je je in
momenten van euforie voelt. Het is dan vooral heel irritant dat iemand je wil begrenzen.
Jouw ideeën, gedachten en vondsten zijn briljant en daar heb je geen medicijnen voor nodig.
En trouwens: wees blij dat ik me na die slepende depressie weer eens beter voel. Kortom:
zeik niet zo.


Ik geef de zaal de tip om vooral het gesprek aan te gaan, naar iemand te luisteren zonder
oordeel en met liefde, tact en humor in te grijpen. En dan nog werkt het niet altijd.
‘Afgelopen zomer was ik manisch en mijn man en kinderen moesten alle zeilen bijzetten om
mij enigszins in het gareel te houden’, vertelt ik. ‘Ik was elke avond weg omdat ik het thuis
heel saai vond.’ Ik denk er met schuldgevoel aan terug. Ik ben altijd op zoek naar balans en
contragedrag. Als ik een nacht wil stappen, moet ik eigenlijk thuis blijven. Als ik me wil
verstoppen onder een fleecedekentje op de bank, moet ik eruit. Na het praatje promoot mijn
oud-psychiater mijn boek. Iets dat ik leuk en tegelijk gênant vind. Het werkt wel, want
verschillende vakgenoten tonen interesse. Het voelt waanzinnig goed om samen te werken
met mijn oud-psychiater en dat mensen ons verhaal willen horen. Opgetogen rijd ik naar huis.
Thuis begroet ik met veel enthousiasme mijn gezin, ik eet weinig en ga als de wiedeweerga
naar boven om me om te kleden. Gehaast zit ik op de bank. Het is nog geen tijd om naar mijn
afspraak te gaan, maar drie kwartier van tevoren ben ik al onrustig. Mijn negenjarige zoon
kijkt me achterdochtig aan.

‘Ga je alweer weg?’ vraagt hij nors.

‘Ik heb toevallig afgesproken met vriendinnen vanavond’, zeg ik. ‘En jij gaat zo naar bed.
Morgenvroeg ben ik er gewoon weer.’
Mijn man trekt een wenkbrauw op. Mijn oudste van tien ligt op de grond naar Freeks Wilde
Wereld te kijken. Het gesprek gaat compleet langs hem heen.
Mijn jongste zoon hangt bij mijn man op schoot en gaat ineens rechtop zitten. Dan zegt hij
met luide stem:
‘Mama, weet je nog dat je heel vaak wegging? En dat je daarna spijt had? Je moest er zelfs
om huilen. En nu doe je het gewoon weer.’

Iris Boter
Illustratie is van Iris Boter


Mijn man trekt nu twee wenkbrauwen op.
Ik sta op en ga op het niveau van mijn zoon zitten.
‘Ik ga nu echt niet meer elke avond weg. Dat spreek ik met je af.’
Na een korzelig ‘dat zeg je altijd’, geeft hij me toch een intense knuffel.
Als ik even later door de donkere straten van de stad fiets, kom ik tot een rijk inzicht. Mijn
zoon zou moeten spreken op congressen over de eerste signalen van een manie. Hij ziet als
geen ander wanneer zijn moeder weer uit de bocht dreigt te vliegen. Ondanks dat ik zin heb om tot in de kleine uurtjes in de kroeg te hangen, neem ik een besluit. Ik maak het niet laat
vanavond.

Dit is een blog in de serie van Koppteksten. Wat is KOPP?

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *